De dood, zo ver weg en opeens toch zo dichtbij

Het leven is eindig.’  

Deze zin spookt nu al weken door mijn hoofd, om precies te zijn, sinds vrijdag 3 juli. Die dag was ik met mijn moeder mee naar het ziekenhuis voor de uitslag van het onderzoek. De chirurg windt er geen doekjes om: “Ik heb slecht nieuws voor u. De kanker is weliswaar niet uitgezaaid, maar er zitten te veel slechte plekjes om nog te kunnen opereren of bestralen. We kunnen u helaas niet meer beter maken...”

Mam schrikt, ze wankelt haast een beetje op haar stoel. Ze herpakt zich en zegt dat ze het al een beetje voelde aankomen. Dat ze al langer het gevoel heeft dat ze in reservetijd leeft. Toch is mijn nuchtere moeder zichtbaar van haar stuk. De arts licht verder toe: “Natuurlijk gaan we er alles aan doen om de groei te remmen, om zo lang mogelijk een goede kwaliteit van leven te behouden.”

Pfff. Ik weet niet wat ik had verwacht, maar ook ik was hier niet op voorbereid. Vorige week waren we nog zo blij dat het niet was uitgezaaid. Nu is ze opeens ‘uitbehandeld’. Wat een kutwoord! Ik krijg het nog steeds niet goed over mijn lippen.

Mijn veerkrachtige moeder, als ze geen kanker had kon ze wel 97 worden.

Natuurlijk is het leven eindig. Daar ben ik me van bewust sinds mijn oma vrij jong nog, op haar zestigste, overleed. Ik was zeven. Mijn moeder is 87, dus ik kan niet zeggen dat het niet eerlijk is. Je moet ergens aan doodgaan nietwaar. Toch komt dit onverbiddelijke nieuws hard binnen. Mijn veerkrachtige moeder, als ze geen kanker had kon ze wel 97 worden.

Twaalf jaar geleden kreeg ze voor het eerst borstkanker. Toen leek het bijna een routinezaak. Ze werd bestraald en kreeg een borstsparende operatie (hoewel de borst er van haar wel af had gemogen). De behandeling ging – zeker voor mijn zus en mij op afstand – vrijwel geruisloos voorbij.

Twee jaar geleden verliep heel anders. Enkele weken na de laatste mammacare-controle ontdekte ze zelf toch weer een gek plekje op dezelfde borst. Na allerlei onderzoeken bleek dat de kanker nu niet in één maar in twee borsten zat. Het was alsof we met z’n allen in een rollercoaster stapten.

Het ene moment twijfelden de deskundigen of ze er op deze leeftijd überhaupt nog niets aan konden doen. Bij het volgende consult stelden ze voor om beide borsten te amputeren. Uiteindelijk werd het één borst eraf, de andere borstsparend, en daarna tig keer op en neer naar het AMC voor warmtebestraling.

De geriater oordeelde dat het met de hoofden (van zowel mijn moeder als mijn vader) wel goed zat.

Of ze eerst nog wel even langs de geriater wilde om het risico op een delier te beoordelen. “Dat ga ik echt niet doen,” zei mijn moeder. “Protocol,” zei mijn vader. De geriater oordeelde dat het met de hoofden (van zowel mijn moeder als mijn vader) wel goed zat. “Ik verwacht u hier na de operatie niet meer terug te zien.”

Inmiddels is voor de derde keer borstkanker geconstateerd en zijn er alweer een paar weken verstreken sinds die fatale diagnose: “We kunnen u helaas niet meer beter maken.” Alles leek anders, terwijl er feitelijk niet       zoveel veranderd is. Ze krijgt pillen en injecties om de groei te vertragen. Een prognose kunnen ze niet geven.  De huisarts sprak over een paar maanden. De oncoloog denkt dat ze de kerst wel gaat halen, misschien zelfs die van 2021 wel.

Mijn vaders ogen gaan tegelijkertijd hard achteruit. Als het zo doorgaat is hij over een jaar praktisch blind. Voor een man voor wie de wereld zijn werkterrein was, is de groeiende afhankelijkheid die hiermee gepaard gaat een bijna ondraaglijk gelag. We dachten – hoopten – allemaal, dat mam hem zou overleven. Hij kan helaas niet meer voor zichzelf zorgen. Het kan nog steeds, zegt 'ie zelf ook. Of misschien gaan ze toch nog samen. Dat zou ik dan wel weer eerlijk vinden. Ze zijn immers ook een dag na elkaar geboren.

De dood, zo ver weg en opeens toch zo dichtbij. Ik weet niet zo goed hoe ik me ertoe moet verhouden. Begin dit jaar waren we op vakantie in Oaxaca, Mexico. Daar is de dood onderdeel van het dagelijks leven. In symbolen (doodshoofden waar je maar kijkt), cadeaus voor de overledenen te koop op iedere straathoek en zelfs feesten: de jaarlijkse Dag van de Doden.

Wij (in het westen) hebben van de dood iets zwaars gemaakt.

Na terugkomst in Nederland kijken we de Pixar-animatiefilm Coco die zich afspeelt op el Dia de Muertos. Wij (in het westen) hebben van de dood iets zwaars gemaakt. In Mexico herdenken en eren ze overleden familieleden en vrienden door met ze te feesten. Alsof ze er weer even bij zijn.

Het leven is eindig. Het gekke is dat dit opeens overal opduikt. Zoals in ‘Uit het leven van een hond’ van Sander Kollaard, dat ik net uit heb. Hoofdpersoon Henk koestert de dood als een zegen, op basis van een eenvoudige economische wet: “Waarde komt met een beperking, in duur in omvang, in aantal. Eindigheid geeft het leven waarde. Daarbij (zo denkt hij weleens in een knusse bui): is de dood niet onze trouwste metgezel? De dood is er altijd, vanaf het prilste begin, zoals onze schaduw, en hij blijft met elke stap bij ons, ademtocht na ademtocht, in voor- en tegenspoed, om ten slotte de laatste snik van onze lippen weg te nemen, en ons aldus het geschenk te geven van een eindig leven.”

‘De waarde van het leven als economische wet,’ dat klinkt dan wel weer heel zakelijk. ‘Het geschenk van een eindig leven’, dat spreekt me dan wel weer aan en ik herken het wel een beetje bij mijn ouders. “Ik heb een  mooi leven gehad”, zei mijn vader op zijn tachtigste al. Ik vind dat een geruststellende gedachte die maakt dat ik de naderende dood beter kan accepteren. Wat niet wegneemt dat ik het lastig vind hoe er mee om te gaan.

Voor mijn ouders. En wat betekent het voor mij? Deze zoektocht zal nog wel even duren.

----

Hoogste tijd om mezelf eindelijk voor te stellen. En excuus voor dit enorme relaas hierboven. Het moest eruit. Bleef maar door mijn hoofd cirkelen. Dan is het fijn om het op te schrijven, aan iemand, aan jou dus. Waarbij ik me realiseer dat het gek is dat we nog helemaal niet hebben kennisgemaakt. Bij deze.

Quarantaine in een grote-mensen-huis met een tuin, aan de rand van de Kennemerduinen, op steenworpafstand van het strand, is bepaald geen straf.

Ik ben Petra. Vijftiger. Vorig jaar nog Amsterdammer (nou ja, surrogaat dan, maar ik heb toch bijna twintig jaar in Amsterdam gewoond). Nu alweer een jaar in IJmuiden samen met mijn vriend. We hadden het niet beter kunnen timen. Quarantaine in een grote-mensen-huis met een tuin, aan de rand van de Kennemerduinen, op steenworpafstand van het strand, is bepaald geen straf.

Waarom IJmuiden, vraagt bijna iedereen. Soms nieuwsgierig, een ander vol verbazing. Wij wilden meer groen en dichterbij zee (Mijn vriend is fervent sportvisser in zout water). Ik wilde vooral ook meer tijd om te vertragen.

Corona heeft die vertraging een extra duwtje gegeven.

Ik werk als facilitator van veranderprocessen. Normaal gesproken in zaaltjes met tien tot meer dan honderd man. In de afgelopen maanden vooral online, via Zoom of Teams of Skype en diverse online communicatietools. Ik werk met name in het sociaal domein (zorg, eenzaamheid, participatie), natuur en klimaat (waterstof), ontwikkelingssamenwerking en hoger onderwijs. Aan vraagstukken met vele actoren en factoren die elkaar wederzijds beïnvloeden en constant in beweging zijn. Complexe vraagstukken. Ik ben sinds 2013 één van twaalf maten in een maatschap. We ontwerpen en faciliteren dialoogprocessen om uiteenlopende perspectieven samen te brengen op zoek naar gedeeld belang, voor de realisatie van gedeelde ambities.

Een beetje het cirkeltje rond: beelden, woorden en cijfers.

Ik kom uit de communicatie. Heb in Boston Business Communications & Public Relations gestudeerd. Daarna bedrijfskunde (MBA) in Barcelona. En ik ben van oorsprong docent beeldende vakken. Een beetje het cirkeltje rond: beelden, woorden en cijfers. Voor sommigen een vreemde combi; ik gebruik het allemaal in mijn huidige werk.

Brieven schrijven herinnert mij aan de tijd dat ik in het buitenland woonde (tussen 1987 en 1996). Toen schreef ik regelmatig lange brieven aan mijn ouders en soms aan mijn zus. Ik vond het een fijne manier om te delen wat ik meemaakte. Een brief kan overal over gaan, hoeft geen kop of staart te hebben. Het kan beschrijvend of beschouwend zijn. Ik schrijf graag om te reflecteren. Om te wroeten in mijn gedachten, soms een laagje dieper te gaan om de essentie boven te laten drijven. Soms lukt dat, soms ook niet.

Bij onze maatschap werken we ook veel met verhalen. Niet zozeer als klassiek communicatiemiddel (mooie verhalen om mensen te overtuigen), maar als dialoogmethode en als onderzoeksinstrument om ervaringen uit het verleden te delen en hiervan te leren.

We hebben ook twee keer een writeshop georganiseerd. Een collectief geleid schrijfproces om te reflecteren op het omgaan met complexe vraagstukken. Was superleuk om te doen, mede ook omdat we na de eerste writeshop een collectieve verhalenbundel hebben gepubliceerd.

Een brief schrijven voelt vrij, omdat het overal over mag gaan en omdat ik jou nog helemaal niet ken.

Toen ik hoorde over dit brievenproject was ik meteen enthousiast. Omdat brieven schrijven een vertraagde vorm van dialoog is. Ik ben een langzame denker, mijn gedachten vormen zich gaandeweg. Een brief schrijven voelt vrij, omdat het overal over mag gaan en omdat ik jou nog helemaal niet ken.

Ik ben nieuwsgierig naar wie jij bent, wat je doet en wat je beweegt. Ik vind het leuk om schrijvend ideeën en gedachten te onderzoeken en mijn overtuigingen te laten challengen. Dus feel free om kritische vragen te stellen en me uit mijn bubbel te trekken als ik dingen beweer die jij heel anders ziet, of misschien hoogdravend of juist naïef vindt.

Nou, dit is het wel voor mijn eerste brief. Nog niets over de toekomst, ‘de samenleving over zeven jaar’. Dat komt de volgende keer wel. Het heden neemt me op dit moment nog te veel in beslag. Omdat het intens is, maar ook omdat ik wil genieten – met mijn ouders – van wat er nu is.

Geniet op Corfu. Ik geniet hier in mijn achtertuin. Groet, Petra